Bij het bouwen van het World Mind Map laten we ons leiden door wat we menen te begrijpen van het menselijk brein. Maar Karel noch ik hebben doorgeleerd voor anatoom of zenuwarts. Bovendien, als we wel eens met mensen praten die wel voor één van die beroepen hebben doorgeleerd, krijgen we de indruk dat ook in de vakliteratuur tegenover elke beantwoorde vraag omtrent de werking van het brein er twintig nieuwe staan waarop de wetenschap het antwoord schuldig moet blijven. Bovendien, over vakliteratuur gesproken: het is zelfs voor een geïnteresseerde leek natuurlijk ondoenlijk om de technische artikelen in tijdschriften over brain science en neurobiologie te lezen. Daarom is het des te aardiger dat er wetenschapsjournalisten zijn. Een heel goeie, naar mijn smaak, is Mark Mieras. Hij schreef 'Ben ik dat?' (uitgegeven in 2007 bij Nieuw Amsterdam). In dat boek wordt de lezer op een uiterst aangename manier geconfronteerd met de jongste inzichten in het hersenonderzoek. De meest uiteenlopende onderwerpen komen aan de orde: van de relatie tussen voedsel en de gezondheid van je brein, tot en met haast filosofische beschouwingen over de vraag wat 'werkelijkheid' nog meer is dan een levensechte reeks sensaties die ons brein ons voortovert. Interessant trouwens, die twee woordjes 'ons' in de vorige zin. De betekenis van het bezittelijk voornaamwoord is nog betrekkelijk overzichtelijk; het meewerkend voorwerp 'ons' is bij nader inzien die mysterieus. Wie is die 'ik' met wie mijn brein de hele dag ervaringen deelt? Ofwel, om nogmaals met Mark Mieras te spreken: 'ben ik dat'?
Behalve uit de gevestigde neurobiologie, waar Mark Mieras een heel verteerbare samenvatting van maakte, komen er overigens ook modellen over wat het brein is, en hoe het werkt, uit heel andere hoeken. Op één model wil ik hier wat nader in gaan. Het komt, zij het met enige vrije interpretatie mijnerzijds, van Edward de Bono. Deze creativiteits-goeroe beschrijft het brein als een scheefstaande tafel, besmeerd met een dikke laag pindakaas (nee, mijn eerste associatie zou het ook niet zijn). Als je vanaf een zekere hoogte daarop een knikker laat vallen dan ploft die in de pindakaas, maar omdat de tafel scheef staat gaat hij langzaam naar de aflopende kant rollen. Natuurlijk niet langs een recht pad: laten we zeggen dat het pindakaas met stukjes echte pinda was, dan is de pindakaas wat klonterig van structuur, en dan zal het pad een beetje kronkelen. Maar het is een grillige en vooral onvoorspelbare route. Als we een tweede knikker loslaten in de buurt van het beginpunt van die eerste, zal het eerste stukje van het pad ook weer grillig zijn, tot dat hij toevallig in het geultje komt dat door de eerste knikker achter gelaten werd. Dan rolt die tweede knikker ineens een stuk vlotter, en volgt precies de route van de eerste. Bij een derde en vierde knikker zal dit in nog versterkte mate zo zijn.
Wat, aldus de Bono, toont ons dit over het brein? Welnu, evenals knikkers op een pindakaastafel, heeft ons brein last van conditionering. Eenmaal een favoriete route aangeleerd (wat misschien in het begin nog een beetje moeizaam gaat), is een tweede keer het betreden van het eerste stuk van die route al genoeg om de geschiedenis zich precies zo te laten herhalen. Sterker nog: door die herhaling wordt het paadje door de pindakaas wat dieper uitgesleten, en is het dus nog moeilijker dan de eerste keer om halverwege van richting te veranderen.
De Bono geeft overigens ook een anatomische reden waarom dit model niet helemaal uit de lucht gegrepen is: zenuwcellen communiceren met elkaar via electrische prikkels. Die worden voortgeleid door zenuwuitlopers, zogenaamde axonen. Zo'n axon geleid echter de electriciteit helemaal niet zo goed, tenzij er een klein laagje vet om heen zit (nee, geen pindakaas maar een stof die myeline heet). En het mooie is dat dat myeline op dat axon gedeponeerd wordt ... juist ten gevolge van het doorgeleiden van een electrische prikkel. Naarmate een axon vaker een prikkel doorgeleidt, wordt het steeds en steeds makkelijker om dat te doen. Net zoals die knikkers die het geultje door de pindakaas steeds dieper uitslijten waardoor elke volgende knikker makkelijker naar beneden rolt.
Het moge duidelijk zijn dat dit pindakaasverhaal (of de variant met myeline) somber stemt over de creatieve vermogens van het menselijk brein. We zijn geconditioneerd, en voortdurend geneigd onszelf te herhalen. Patronen die zich bewezen hebben komen hoe langer hoe vaster verankerd te zitten in ons brein. Het is maar goed dat er een Wold Mind Map is om je zo af en toe eens onverwachte associaties te laten zien!